Blog

  • De omgeslagen bladzijde van Erasmus

    De omgeslagen bladzijde van Erasmus

    Tien of elf jaar oud gebeurde het dat we een plastic soldatenhelm opzetten en een tweede hands legertasje van Loe Lap  over de schouder gooiden. Dat tasje had mogelijk al wat meegemaakt? Het had een gat dat verdacht leek op een kogelgat. Spannend! Maar bij Loe Lap wist je het nooit.

    Voorgedraaide pijltjes van oude Donald Ducks erin en de blaaspijp mee.

    Lees verder: De omgeslagen bladzijde van Erasmus

    Wellicht voelden we ons even Marinier, niet dat er veel te verdedigen viel. De enige plek in Nederland die mei 1940 afdoende verdedigd was had het moeten bezuren en wij gingen nu spelen met de gevolgen. De kale mart (spreektaal) oversteken, viaduct onderdoor en daar was een woeste zomp. Een desolate leegte, waar riet groeide en hoog gras, waar eens de Grote Markt, het hart van alles was. We stuitten op een weggeworpen toilet pot en op een half gezonken verroest bad. Op de plaats waar Erasmus in zijn standbeeld ooit had staan te kijken of hij een bladzijde zou omslaan. Misschien was dit wel de bladzijde die uiteindelijk en onvermijdelijk was omgeslagen; in de hele geschiedenis van de humaniteit. En waarvoor hij aarzelde.

    Aan de einder denderde als een ondier op poten het luchtspoor voorbij. Het Viaduct. Met er in een brugdeel, wat ooit de brede toegang gaf aan mensen, voertuigen en zelfs schepen tot deze verzamelplaats van weleer. En juist hier had wat normaal tot de ommelanden of periferie zou hebben behoord plaatsgenomen in het midden.

    Nu staat er de icoon van de Markthal. En het luchtspoor is ondergronds gegaan.

    Het beeld van Desiderius Erasmus

    Het beeld is van 1622 en ontworpen door Hendrick de Keyser en voor zover bekend het oudste bronzen standbeeld van Nederland. De eerste versie was van hout en verrees recht voor zijn vermeende geboortehuis in de Wijde Kerksteeg ten gelegenheid van de intocht van prins Filips in Rotterdam op 27 september 1549. Deze beeltenis van Erasmus hield een rol met daarop een Latijnse lofrede in zijn hand. 

    Lees verder: De omgeslagen bladzijde van Erasmus

    Het was het eerste niet-religieuze standbeeld van Nederland. Na het bezoek werd het verplaatst naar de West-Nieuwlandse brug op de Grote Markt. In 1557 verscheen op dezelfde plek een vervangend, blauw arduinstenen beeld. In1572 werd dit door het Spaanse leger onder leiding van de Graaf van Bossu in de gracht geworpen. Eenmaal weer boven water stond dit tot 1621 op de Grootemarkt, toen Hendrick de Keyser opdracht kreeg een bronzen beeld te maken.

    In Rotterdam doet het verhaal de ronde dat als Erasmus de bladzijde die hij vast heeft, omslaat, er rampspoed over de stad zou komen. Naar verluidt is de laatste keer dat dit is voorgevallen 13 mei 1940, vlak voor het Bombardement.

    Door het bombardement ongeschonden werd het door de gemeentelijke dienst Kunstbescherming van zijn sokkel gehaald en onopvallend naar het Museum Boijmans Van Beuningen gebracht. En op de binnenplaats onder betonplaten en zandzakken verborgen. In juli 1945 kreeg het beeld een plek op de Coolsingel. Daar moest het in september 1963 wijken voor de metro. Uiteindelijk heeft het beeld in 1964 een plaats gekregen op het Grotekerkplein voor de Grote of Sint-Laurenskerk. Het zou kijken in de richting van zijn voormalig geboortehuis.

    Standbeelden behoorden volgens de oud-Nederlandse opvatting in kerken.

    De Nederlandse historicus Johan Huizinga merkte op dat het standbeeld van Erasmus in meerdere opzichten opmerkelijk is:

    “Het blijft in hooge mate karakteristiek, dat een paar eeuwen lang eigenlijk het eenige openbare standbeeld in Nederland niet dat van een krijgsman, vorst of staatsman is geweest, noch van een dichter, maar van een geleerde, die nog wel dat vaderland tamelijk had veronachtzaamd.”

  • De verwoeste stad

    Het is het beeld van Zadkine, de verwoeste stad. Het hart, het middenrif eruit gerukt. De handen ten hemel geheven, reikend in een schreeuw naar de lucht. Naar de bommenwerpers van Rotterdam. Maar tevens naar de einder.

    Als kind wilde ik “het beste van twee”: ik wilde Oud-Rotterdam terug, maar dan wel met dat “mooie” beeld van Zadkine erbij. Mooi, noemde ik het. Wat vond ik dan mooi? Ja, ook gewoon het beeld zelf. En ook dat tragiek van een gebeurtenis in de tijd pakkend in ruimtelijke dramatiek was omgezet. In een beeld wat er stond.

    Lees verder: De verwoeste stad

    Als je in het Rotterdam van de jaren ’60 van de vorige eeuw dat éne woord Zadkine uitsprak in het bijzijn van andere kinderen of mensen, dan deelde je in dit ene woord alles wat er rond het bombardement met de stad en de mensen gebeurd was. In dit woord kwam alles samen.

    Ik ervoer in dit beeld natuurlijk altijd wel dood en opstanding, Stirb und Werde. Ook een beetje “ik worstel en kom boven”.

    Later kreeg dit beeld voor mij zelf nog een extra dynamiek en onthulde daarmee een geheim: als de kern verdwijnt: verleg dan je blik naar de horizon. Uit de periferie, daar waar het oneindige lijkt te zijn, komen de nieuwe mogelijkheden. Zij zijn onverwachts. Zij zijn vooralsnog niet begrensd.

    Het kwam mij op een gegeven moment ter ore dat het beeld kubistisch was… kon me niet schelen, dat deed er niks aan af. En dat het beeld een vrouw zou zijn! Na even roeren in mijn binnenste: nog mooier: een twee-geslachtige mens of een vrouw! Geweldig, om het complete leed mee uit te drukken van het zijn in en verliezen van de oude stad moet het beeld zeker óók een complete vrouw zijn.

    Aan het beleven van de periferie heb ik nog een herinnering als kind. Voor het raam staand op de 2e verdieping keken we uit op de boomkruinen aan de Nieuwe Markt. Als ik daar naar de uitgelopen blaadjes aan de uiterste takjes keek, waar ook grote zwermen trekvogels neerstreken, werd ik soms innerlijk “naar buiten geworpen”. Als of het me even met de grote kosmos verbond, maar onbevattelijk.

  • Over de Beurs van mijn vader

    Op de schippersbeurs in Rotterdam was mijn vader bevrachter voor de Nederlandse Particuliere Rijnvaartcentrale. Deze NPRC was opgericht in de 30er jaren en was een organisatie die bemiddelde en voorzag in goede voorwaarden voor verladers en schippers. Wat dat betreft had ze als organisatie iets associatiefs (dat merkte ik later toen ik met de sociale driegeleding in aanraking kwam). En ze regelde met toewijding en kwaliteit het in opdracht gegeven vervoer van zeeboot tot losplek ergens op de Europese rivieren en vice versa.

    De Beurs

    Daar waar je vader werkt, dat is als je kind bent altijd een bijzondere plaats. En in mijn geval was het wel een heel bijzondere plaats.

    Onze woning lag aan een groot trappenhuis aan de Pannekoekstraat. Anderen vonden dat vaak een vreemde maar attractieve naam. Zo klein als onze woning was, iets wat door mij als kind natuurlijk helemaal niet zo beleefd werd, zo groot was de werkplek van mijn vader. Het was de wereld!

    Met 5 minuten lopen en dus tussen de middag warm eten thuis bracht mijn vader het grootste deel van zijn werkdag door aan de beurs in Rotterdam. Op de rand van de Schippersbeurs en de algemene beurs stond in die jaren een groot glazen kantoorhok, toegankelijk vanuit de hele beurs. Het werd – dat laat zich raden – het aquarium genoemd.

    In het aquarium was met een soort van balie/toonbank nog een lichte poging tot ruimtelijke indeling gedaan. Om iets van een onderscheid tussen front en backoffice te creëren. Waar in de praktijk de binnengekomen en breed gesticulerende schippers in het vuur van hun betoog zich dan toch weer weinig gelegen aan lieten liggen.

    Op de Gispen bureaus stonden schrijfmachines, perforators, postzegelsponzen, veel asbakken en ventilatoren. Alles voor heavy duty performance.

    Mijn vader was er te vinden tussen drie telefoons, die voortdurend en ook vaak gelijktijdig afgingen. Op de bakelieten hoorns (telefoneren was toen nog een vorm van gewichtheffen) zaten schoudersteuntjes, zodat je een toestel op je schouder “in de wacht” kon leggen om de volgende rinkel te bedaren. Verder was er veel levendige communicatie, met de schippers aan de toonbank, maar evenzeer door de openslaande ramen naar de beursvloeren.

    Daar kwamen de schippers van boord. Om de volgende lading aan te gaan. Zodat we allemaal zouden kunnen blijven eten, zodat de industrie langs de hele Rijn door zou kunnen draaien. Van verlader organisaties die partijen aanboden die met zeeboten aankwamen. Sommige van die goederen werden bemonsterd bijvoorbeeld op de graanbeurs. Dan zag je een zak waar een kommetje in verdween, waarna keurende blikken.

    Zeeboot voor de kant betekende altijd dat rond 6.00 uur ’s ochtend de (extra) telefoon afging naast het (opklap)bed thuis. “Gerard, waar moet ik laden?” “Waalhaven pier 6!” Gelijk daarna sliep mijn vader weer in.

    Naast de graanbeurs was er ook de verzekeringsbeurs, zodat risico gedeeld werd.

    In clubjes stonden zijn daar. Steevast gemarkeerd door een rookpluim erboven. Regelmatig werd een blik geworpen opzij: naar rijen soort van hokjes ter grootte van een paskamer. Dat waren telefoon/ werkhokjes van organisaties. Een forse rij lichtjes erboven, met meer kleuren en lampen dan in een stoplicht. Deze stonden te schijnen en te knipperen en gaven met name aan: dat er telefoon was. Vooral bij de oranje lamp zag je ze rennen, dat was kennelijk hun baas.

    De beursvloer had een ruimtelijk patroon van veelhoekige donkergrijze Noorse graniettegels. De insider, beursdirecteur Pfund, onthulde ons later “van negen in elkaar grijpende veelhoekige tegels in een herhalend patroon.” Het was niet te ontdekken. Toen in de vijftiger jaren een stukje van de verzekeringsbeurs moest veranderen, wat ook de vloer betrof, was dit ambacht niet meer voorhanden. Pfund liet ons een poging zien met brede onregelmatige voegen.

    Het maakte op mij een onvergetelijke indruk, deze samenhang. De galm van de gesprekken ijlde op vreemde wijze na in de stijlvolle betonnen dakkoepel met de merkwaardige ronde ruitjes  en lampen als van lantaarnpalen.

    Met mijn vader op geheimzinnige wijze als hart van dit geheel.

    Marien Faasse, oktober 2006 update voorjaar 2025

    NB. Om de beurs zat een uitgebreid netwerk van cafés. De vergaderingen van Scheepvaart- amusements-vereniging Ahoy waar mijn vader oprichter en voorzitter van was begonnen ook altijd daar.

    Het aquarium…hoef je niet meer te gaan bezichtigen, de laatste dag dat er in gewerkt is, voorjaar 1986, was de laatste werkdag van mijn vader voor zijn pensioen. Het was ook het einde van de Noorse tegels, die maakten plaats voor Romeinse rechthoeken. Men vergiste zich dat kantoren op een huiskamer moesten gaan lijken en niet meer op… de Wereld.

    Het is met hem verdwenen en er verdween een tijdperk.

    De twee-eenheid tussen mijn vader en zijn werkplek die ik als kind gevoeld had werd bevestigd.

  • Hello world!

    Welcome to WordPress. This is your first post. Edit or delete it, then start writing!